
Het
wijnkopersgilde van Rotterdam was een rijk en vooral voornaam
koopmansgilde dat werd bestuurd door een superintendent
(oppertoezichthouder), meestal één van de burgemeesters of een lid
van de vroedschap en vier hoofdlieden. De gildevergaderingen hadden
aanvankelijk plaats op wisselende locaties maar later in het
Beursgebouw en vanaf 1728 in een eigen gildehuis dat op de Punt van
de Wijnhaven lag. Het gildebestuur kocht het pand voor f. 7250 en
voor nog eens een aanzienlijk bedrag werd het interieur verfraaid
met goudleren behangsels, schoorsteenstukken, lichtkronen en nog
veel meer. De gevel werd voorzien van een passend gevelwerk dat
voor f. 175 werd gebeeldhouwd door Jacob Janssens (Janson ?-1759)
en voor nog eens datzelfde bedrag in de gevel geplaatst. Dit fraaie
gevelstuk, een combinatie van gevelsteen en beeldhouwwerk is tot nu
toe het enige werk van Jacob Janssen.
Wijn staat synoniem aan Dionysus of Bacchus, de god van de wijn. De
druivenranken verwijzen hier ook naar. De twee putti met zwierige
capejes en met hun voeten op druiventrossen, houden tussen hen in
een guirlande van druiventrossen met hierboven de datering en de
naam van het gilde. Op de steen is een dikke laag verfresten
achtergebleven, een zorgvuldige analyse hiervan zou meer kunnen
vertellen over de gebruikte kleuren.
De groei van de wijnhandel was in het begin van de zeventiende eeuw zo evident dat een van de havens in het westelijk deel van de nieuwe waterstad de naam Wijnhaven kreeg. Ook de vestiging van verschillende handelshuizen met namen als: Bordeaux, Nantes, De Rijpe Druijf, De Frissche Roemer, ´t Vergulde Vat enz. getuigt van het toenemende belang van de wijnhandel. Het gilde werkte nauw samen met het van stadswege aangestelde slepersbedrijf en het wijnverlaters- en kuipersgilde aan de Korte Wagenstraat dat in datzelfde jaar ook een gevelsteen liet vervaardigen. Wijnverlaters zijn beëdigde beambten die belasting innen op wijn. Hiervoor moet de wijn van het ene vat in het andere worden overgetapt, daarvoor neemt hij het vat in ontvangst en levert het af. Verder heeft hij het recht de wijn te versnijden, dus te mengen.
Het volgende gedicht van Dirk Smits uit 1728 geeft aan hoe belangrijk de wijnhandel ook in de achttiende eeuw voor de stad was:
Op het wijnkopers Gildehuis te Rotterdam.
"De deftige Iberstroom, Garonne, Loire en Rijn
Beschenken Rotte en Maes, met overvloed van wijn´,
Die zich generen met die aengename gaven,
En dorstig Nederlandt uit volle kruiken laven
Tot steun der koopmanschapp´: dus is de wijngaerdstam
De hoofdzuil van dit Huis, en ´t heil van Rotterdam
Na afschaffing van de gilden in 1813 werd het gildehuis tot
pakhuispand verbouwd en verhuurd. De verschillende kostbare
voorwerpen die eens de rijkdom van het gilde illustreerden kwamen
voor een deel terecht in de collectie van het Museum Rotterdam, het
andere deel is openbaar verkocht.
Het fonds van het wijnkopersgilde bleef na de opheffing van het
gilde bestaan. Het werd in ieder geval tot 1940 beheerd door drie,
door het gemeentebestuur aangewezen, commissarissen van het
voormalig wijnkopersgilde. In dat jaar ontvingen de commissarissen
namelijk een aanslagbiljet van de belasting op kapitalen in de dode
hand hetgeen bewijst dat het fonds dan nog over een vrij
aanzienlijk bedrag beschikte. Het wijnkopersgilde bestaat nog
steeds.
In 1910 is de gevelsteen naar het museum overgebracht. Op de foto van het pand is wel de datering op de gevel te zien maar de gevelsteen lijkt al te zijn verwijderd. De gevelsteen is voor zover bekend tweemaal gerestaureerd en hierbij zijn in 1910 waarschijnlijk de koppen van de putti ingrijpend gewijzigd.
straatnamen: