


In 1395 gaf graaf Albrecht
toestemming aan franciscaner tertiarissen om een klooster (het
latere Agnietenklooster) te stichten aan de Botersloot. Deze derde
orde van de Franciscanen bestond uit ongehuwde vrouwen die
samenleefden en hun leven wijdden aan werken van barmhartigheid.
Voor hun levensonderhoud waren ze aanvankelijk aangewezen op giften
en bedeling. In 1408 echter nam het stadsbestuur de zusters in
bescherming en gaf ze enkele privileges waardoor ze van inkomsten
verzekerd waren. Het eerste Agnietenklooster, dat rond het einde
van de dertiende eeuw moet zijn opgericht, brandde in 1412 af.
Dankzij gulle giften van de inwoners van Rotterdam kon al gauw op
dezelfde plaats een nieuw klooster worden neergezet. In de loop van
de tijd breidde het klooster zich uit tot een groot complex met
kapel, bleekveld, moestuin en de gebruikelijke verblijven zoals
materhuis, keuken, refter, slaapzalen etc. Hoe het complex er
precies heeft uitgezien is niet bekend. Van 1590 dateert een
tekening waarop verschillende panden, dan al niet meer als klooster
in gebruik, zijn te onderscheiden.
Rechtsboven op de tekening bevond zich waarschijnlijk de
begraafplaats met een toegangspoortje vanaf de Kipstraat. Boven
deze toegang moet zich de deksteen met de volgende tekst, uit
Petrus I vers 19, hebben bevonden: "wy sien verlost met den
costelick bloet christi als van een onbesmet ende onbevleckt lam
pi19"
In de loop van de vijftiende eeuw raakten veel kloosters hun voorrechten weer kwijt en moesten ze belasting gaan betalen. Menig klooster verkeerde hierdoor in financiële moeilijkheden maar de bewoonsters van het Agnietenklooster leefden tot het midden van de zestiende eeuw in zekere welstand. Zo beschikte het klooster over een rosmolen, een brouwerij, een spinnerij, een weverij, een boomgaard en een boerderij met vee. Daarnaast bezaten de Agnieten uitgestrekte landerijen, vaak verkregen uit schenkingen, die voor voldoende inkomsten zorgden.
Met de hervorming kwam een einde aan het kloosterleven en mocht het stadsbestuur over alle goederen en fondsen van kloosters, geestelijke broederschappen en dergelijke, die vrijkwamen beschikken en deze aanwenden voor het algemeen nut. Het Agnietenklooster werd opgeheven en de gebouwen vonden een nieuwe bestemming als verblijf voor de prins van Oranje die er vergaderde met de Staten van Holland, en later ook voor de admiraliteit, de stadpensionaris en de equipagemeester. Al in 1574 verbleef Willem van Oranje, verwikkeld in de strijd tegen de Spanjaarden, enkele maanden in Rotterdam. Toen de strijd verhevigde in de periode 1575-1576 werd het voormalige klooster ingericht voor de prins, dat vanaf toen bekend stond als Prinsenhof.
De oude kapel werd in 1608 ingericht als de tweede, na de Laurenskerk, gereformeerde kerk van de stad. De kapel werd daarna nog twee keer uitgebreid. Met de uitbreiding van de Prinsenkerk in 1638 kwamen er 300 graven beschikbaar; een klein aantal daarvan is nooit uitgegeven en misschien wel gebruikt voor oudere grafstenen die op het kerkhof of in het middenpand van de oude kapel lagen. Aangenomen wordt dat dit met de grafsteen van Dirk Jansz. is gebeurd. Met opschrift: "hier leit begr. mester Dirck jansz capellaen die starf A° D XV c 32 den 20 dach septembris mit sij ouder. Bidt voir de Zielen"
Met een derde uitbreiding van de kerk in 1659 kwamen er nog eens 175 graven bij die evenwel niet alle zijn uitgegeven. Van de achttien grafstenen die Wiersum noemt in 1912 die zich in het Museum van Oudheden zouden bevinden, zijn er nog maar enkele over die aan het Prinsenkerk of Agnietenklooster zijn toe te schrijven. De rest is hoogstwaarschijnlijk verloren gegaan bij de brand van het depot aan de Bagijnenstraat veroorzaakt door het bombardement van 1940.
straatnamen: